Gilde

Uit TitVen
Ga naar: navigatie, zoeken

Een gilde was een belangenorganisatie van personen met hetzelfde beroep. Deze gilden hebben vanaf de middeleeuwen tot eind 18e eeuw bestaan.

In een gilde werd kennis en ervaring uitgewisseld. Nieuwe gildeleden werden opgeleid in het vak. Na een gedegen opleiding kon een leerling erkend worden als vakman met de titel "gezel" en uiteindelijk de titel "meester" verkrijgen na het doen van de gilde- of meesterproef. Het gilde behartigde de belangen van de gildeleden, en beschermde hen. Vaak had een gilde het alleenrecht op het uitoefenen van het vak, wat leidde tot de zekerheid van kwaliteit van het werk, soms zelfs tot een monopolie. Om de ambachtsgilden hun doelen te doen bereiken was een strakke organisatie nodig. Als een lid van het gilde zich niet aan de regels hield hadden alle leden hier last van. Wanneer de gilden de kosten naar beneden wilden, moesten alle leden meewerken om de lonen van medewerkers te verlagen en wanneer de gilden hun reputatie hoog wilden houden konden ze het niet veroorloven dat bepaalde leden kwalitatief slechte producten verkochten. Om deze reden bestonden er strenge regels bij de gilden.

Om de kwaliteit van de producten hoog te houden mocht iemand niet zomaar lid worden van een gilde. Een jongen (vrouwen verrichten geen ambacht en werden geen lid van gilden) die een bepaald vak wilden uitvoeren ging op jonge leeftijd bij een gildemeester in de leer. Wanneer de meester de jongen geschikt vond werd hij na enige tijd benoemd tot gezel. De gezel werkte in loondienst voor de meester. Als de gezel goed genoeg was bevonden, kon deze na een periode, meestal tussen de vijf en negen jaar, een meesterproef afleggen. Hiermee kon de gezel bewijzen dat hij zijn vak beheerst. Pas wanneer de gezel hiervoor was geslaagd mocht hij zich meester noemen en mocht hij zijn eigen bedrijf beginnen.

De gildebroeders kwamen minimaal eenmaal per jaar bij elkaar en dan werden nieuwe leden toegelaten, nieuwe regels goedgekeurd of afgewezen en functionarissen gekozen. Beslissingen werden gewoonlijk genomen door meerderheid van stemmen door de gildemeesters.

De gildefunctionarissen zorgen voor het dagelijks bestuur van het gilde en inspecteerden de bedrijven van de leden van het gilde om te zien of deze in orde waren. Ook zagen zij er op toe dat ieder lid contributie betaalde en of deze zich aan de productiequota hielden. Verder werd de financiën van het gilde beheerd door de hiervoor aangestelde functionarissen.

Wanneer iemand lid werd van een gilde had dit grote invloed op zijn leven. Degene had niet alleen het recht om het beroep uit te oefenen van het gilde maar was ook verzekerd van een vorm van sociale zekerheid. Het gilde ondersteunden zijn leden wanneer ze door ziekte of ouderdom niet konden werken. Ook regelde het vaak de begrafenis van zijn leden en hun gezin. Leden van de gilden beoefenden hun religie ook vaak gezamenlijk.