Klaas(schippers)kerk Venlo

Uit TitVen
Ga naar: navigatie, zoeken

Klaaskerk - Venlo

De oudste vermelding van de naam van St.Nicolaas stamde uit 1244, toen het schippersgilde in Venlo een kapel stichtte ter ere van zijn patroon (met enig belendend terrein), op de hoek van Vleesstraat en de Klaasstraat. In 1399 werd door de kruisheren de bediening van deze kapel overgenomen en werd een klooster gesticht. Op 9 mei 1400 werd de eerste steen gelegd van het nieuwe klooster door pater Lubbertus van Bommel, de kapel werd verbouwd en vergroot om pas in 1433 gewijd te worden door de wijbisschop van Keulen. In 1533 werd een pietà (een afbeelding van de dode Christus vergezeld door Maria of engelen) geplaatst, in de volksmond spoedig aangeduid als de Zwarte Madonna. Er ontstond een lokale devotie, waarin het bidden van de rozenkrans bij het beeld centraal schijnt te hebben gestaan. Van 1578 tot 1621 was de kerk in handen van de gereformeerden. In 1797 werd het klooster door de Fransen gesloten en werden de gebouwen voor andere doeleinden (pakhuis) in gebruik genomen. Weliswaar kreeg het beeld in 1814 een plaats in de Venlose St. Martinuskerk, maar de verering die Maria daar genoot, was vooral lokaal van aard. In 1877 werd de kerk gerestaureerd door Pierre Cuypers en opnieuw in gebruik genomen, op 10 november 1879 werd de kerk geconsacreerd door mgr. Paredis, nu als hulpkerk van de St.Maartensparochie. In 1889 kreeg de kerk een nieuwe klokkentoren, naar een ontwerp van architect Johannes Kayser. In 1894 werd een rectoraat aan de kerk verbonden. Op 5 november 1944 werd de kerk, een 'sobere baksteenbouw' met een driebeukig schip van vijf traveeën, door bommen getroffen en zo zwaar beschadigd, dat tot sloop werd besloten.

Ontstaanslegende van de pietà

Pieta.jpg
De overlevering wil, dat in 1533 een schipper het pietà-beeld overdroeg aan de Venlose kruisheren, die het op het kruisaltaar in de door hen bediende St. Nicolaas(-schippers-)kerk plaatsten. Afgaand op een prentje zou het cultusobject op het kruisaltaar hebben gestaan, onder een boogvormige overhuiving van acanthusbladeren, waarin engeltjes een kroon boven de pietà hieven. Het beeld is uitgevoerd in in kalksteen, ongeveer 154 cm breed en 74 cm hoog, stelt Maria voor, geknield gezeten op de grond, met het gestrekte lichaam van Christus op haar schoot. Het stamt uit het eerste kwart van de 15e eeuw, en is van de hand van een onbekende Duitse, vermoedelijk in Keulen werkzame, meester. Het beeld is wit van kleur, met enige sporen van waarschijnlijk na 1814 aangebrachte polychromie.

De legende, die verhaalt hoe dit in zijn werk zou zijn gegaan, kent twee van elkaar afwijkende versies. In de eerste versie wordt verhaald dat de schipper het beeld naar elders moest vervoeren, doch wegens storm op de Maas bij Venlo niet verder kon, hetgeen hij beschouwde als een teken, dat O.L. Vrouw haar beeld in deze stad geplaatst wenste te zien. Vervolgens droeg hij het beeld aan de kruisheren over. Volgens de tweede versie - die vaker voorkomt en in verschillende varianten - zag een kolenschipper uit Luik zich gedwongen in Venlo te blijven, daar zijn schip niet meer voor- of achteruit wilde (in de ene variant vertraagt zijn schip bij de rede (ankerplaats) van Venlo, en komt er onbeweeglijk stil te liggen; in de andere wil de schipper, afgemeerd te Venlo, vertrekken, hetgeen niet lukt). Hij inspecteerde met zijn vrouw schip en lading tot hij in het met kolen afgeladen ruim de door het kolengruis gekleurde, dus 'Zwarte', Madonna aantrof. De schipper, overtuigd dat het in zijn ogen behekste beeld zijn schip op zijn plaats hield, wilde het, in woede ontstoken, overboord werpen. Zijn vrome vrouw weerhield hem echter en verzocht hem om het naar een kerk in de nabije stad te brengen. In een variant van deze tweede versie bracht de schipper het beeld naar de Franciscanerkerk, om het later weer terug te vinden in zijn ruim. Naar welke kerk hij het ook bracht, steeds opnieuw vond hij het in zijn ruim terug. Uiteindelijk besloten de schipper en zijn vrouw dat zij het beeld zouden achterlaten in die kerk, waar 's-morgens het eerst de mis wordt gelezen. In de Klaaskerk (uiteraard, de schipperskerk) bleken de kruisheren reeds om vier uur te luiden; vandaar dat de schipper hen verwittigde dat hij hun na de vroegmis een geschenk zou bezorgen. De kruisheren, die de schippers als ruwe klanten kenden, werden door dit bericht zeer verontrust. Zij wachtten de schipper de volgende dag op, staande achter de kerkdeuren en met stokken gewapend. Zodra het in een witte doek gewikkelde voorwerp was onthuld en een pietà bleek te zijn, wierpen zij hun stokken echter weg. Zij aanvaardden het beeld onder dankzegging en met excuses. Het beeld werd op een altaar geplaatst, en nadat er een mis bij was opgedragen, haastten beide echtelieden zich terug naar hun schip, om af te varen. Toen tot tweemaal toe het beeld toch weer in de boot bleek te zijn, begreep de prior dat de H. Maagd haar beeld met meer egards behandeld wenste te zien, en verordonneerde hij met het beeld een grootse processie te houden van het schip naar de kerk, waar het op het belangrijkste altaar zou worden geplaatst, het kruisaltaar. Deze opzet slaagde: het beeld bleef staan, en de schipper kon eindelijk wegvaren.

Geschiedenis van de devotie en de bedevaart

Niet alleen de Venlose bevolking liet haar devotie in gebeden blijken, ook de schippers die Venlo aandeden of aan de stad voorbijvoeren, toonden hun respect en verering voor de Zwarte Madonna door op de rede, in het zicht van de St.Nicolaaskerk, luid te bellen. De kruisheren - de bedienaren van de 'Klaaskerk', zoals de St.Nicolaas in de volksmond heette - slaagden erin om, waarschijnlijk al in de 16e eeuw, de lokale devotie tot een verering van regionale betekenis te doen uitgroeien. Zo lieten zij in de 17e en 18e eeuw verschillende devotieprentjes van de Zwarte Madonna drukken. In het laatste kwart van de 18e eeuw nam de devotie een hoge vlucht, met als hoogtepunt de winter van 1783 op 1784, toen zeker 400 burgers aan de zogenoemde 'rodeloop' of buikloop stierven. Van in en van buiten de stad stroomden de mensen toe, om dag en nacht bij het beeld de rozenkrans te bidden. Vooral 's avonds, als de kruisheren de completen hadden gezongen en het volk een volledige rozenkrans met de litanie van de droefheid der allerheiligste maagd bad, stonden de vereerders tot buiten de kerk. De bisschop verbond aan de devotie een aflaat van veertig dagen, te bekomen door eenieder, die de rozenkrans (na de completen) meebad, mis hoorde, kaarsen brandde, aalmoezen gaf, of met enig ander werk van devotie de Bedrukte Moeder Gods op het kruisaltaar vereerde. In het licht van de bijzondere devotie in die bewuste winter gaven de kruisheren een boekje met gebeden tot de Zwarte O.L. Vrouw uit. In 1789 werden bovendien tegen het altaar de volgende verzen aangebracht:

Om d'eer van Godt den Heer zijn Moeder te verbreyen / Laet ieder Christen mensch tot deze tafel leyden,

Waerdoor verkondicht wordt en komt in 't openbaer / Het beelt miraculeus van dezen cruysaltaar;

Doet hier u caritaet, bedenckt het bitter leyden, / Al wie de Moeder eert, sal Godt gebenedeyden.

Komt die beladen syt met alderley gebreken, / Wilt u gebedt alhier uyt grond des Herten spreken,

Hier worden jonck en aut van alle quaat verloost, / De droeve Moeder Godts laet niemand ongetroost.

Sy is de Medicyn en troost in alle pyn, / Die in der eeuwigheyt gebenedeyt moet zyn.

eCCe aDIVtrIX Vna In / MiserIIs et trIbVLatIonIbVs

De twee laatste, Latijnse regels ('Ecce adiutrix una in miseriis en tribulationibus': 'Ziet, een helpster bij verdriet en tegenslag') bevatten een chronogram dat het jaartal 1789 oplevert. Na de vordering van de kerk in 1795 en de opheffing van het kruisherenklooster in 1797 hield de verering abrupt op te bestaan. De procurator van het klooster, Gerard Hermans (later apostolisch vicaris), liet het beeld bij zijn zus, mevrouw Schreurs-Hermans, in een hakselkist verstoppen. In 1814 werd het in de parochiekerk van St. Martinus geplaatst. De verering herleefde weliswaar, maar ontsteeg het plaatselijk niveau niet meer. Zij bleef voortaan beperkt tot het in de Mariamaand bidden van de rozenkrans bij het beeld door ingezetenen der stad, een praktijk die ook thans nog bestaat.


Artikelen