Maashandel

Uit TitVen
Ga naar: navigatie, zoeken
Enkele details over de Venlose Maashandel in de 17de eeuw
Maashandel-2.png
Het beperkte stroomgebied van de Maas ligt ingeklemd tussen de stroomgebieden van Rijn, Seine en Schelde. In het Maasdal vinden we geen machtige marktstad als Keulen aan de Rijn, al valt niet te ontkennen dat Roermond en Venlo hebben geprofiteerd van de Maashandel. Van de 15de tot de 19de eeuw was de Maas de belangrijkste handelsweg tussen het Luikse mijnbekken en bosgebied, de akkers van het Gulikse en Gelderse land en de marktsteden aan zee.

Het bevaarbare stroomgebied van de Maas is in te delen naar:

  1. Overland, loopt zo ongeveer van Mezières tot Urmond; de Maas is hier een steile snelstromende rivier, die waterarmer wordt naarmate we stroomopwaarts Overland intrekken. De gebruikte schepen waren licht, zonder dek en een geringe diepgang.
  2. Ommeland, van Urmond tot Mook; beneden Venlo wordt de Maas een betrekkelijk waterrijke, trage laagvlakte-rivier. De schepen waren zwaarder, van een dek voorzien en een aanmerkelijk groter laadvermogen.
  3. Nederland, van Mook tot Dordrecht.

De Maashandel in de 17de eeuw was goed georganiseerd in Venlo:

Wapenvenlo2.jpg
Zoals in elke stad verenigden burgers met hetzelfde beroep zich in gilden. Veel inwoners waren rechtstreeks bij de handel betrokken, en daarbij hun geld verdienden als koopman, schipper, huurvaarder, zakkendrager of lijndrijver. Het gildebestuur schreef voor aan welke eisen een nieuw lid moest voldoen en stelde werktijden, lonen en tarieven vast. In 1795 schaften de Fransen het gildewezen in deze streken af, vrije concurrentie duldde immers geen monopolies.
  • Er waren ca.400 kooplui in de stad, meestal welgestelden die handel dreven langs het hele stroomgebied tot ver daarbuiten.
  • Zo’n 35-50 maasschippers hadden zich verzameld in de “Broderschap van den Heilighen Cruys”. Zij waren de eigenaars van de schepen, en vervoerden de eigen koopwaar of goederen in opdracht van de kooplui. Er vallen alle schakeringen waar te nemen variërend van zelfstandig koopvaarder tot eenvoudige vrachtschipper. Zie ook Register Maasschippers (OAV-Venlo nr.1517 - 21.11.1644)
  • Eveneens ca.40 huurvaarders hadden zich verzameld in de “Broderschap van den Hellyghen Geist”. Zij waren als stuurlui en schippersknechten in dienst van de schippers. Er gold een verplichting om lid te zijn van het betreffende gilde om het recht op het uitoefenen van het vak te genieten (Gildedwang – o.a.schipperskinderen).
  • Binnen de stad een onbekend aantal zakkendragers zorgden voor het laden en lossen van de schepen.
  • Tenslotte een eveneens onbekend aantal lijndrijvers, die over het jaagpad de schepen over de stroom trokken.
    Maashandel-1.png


“Helias Tryppemeker tuigt over die vyfftig mall mit Venloeschen und anderen scipperen kees (kaas) den Maestroem upwertz geschickt thoe hebben, und dat hye tot mermaelen korn, saltz und hering upgesandt und dickwils ieseren helfft doen affbrengen”

“dat hy mit synen groiten schippe to diverschen tyden so mit kaeren, kaelen, yseren ind weede gelaeden, die Mase aeff ind die Waele op nae Embrich (Emmerik), Deventer ind anderswaer gevahren, ind op denselvigen orteren (plaatsen) wiederumb guet aengegolden (ingekocht), ind gelaeden ind op Ruremunde gebracht”

De stad Venlo

Niet alleen uit militair oogpunt was die “goede en stercke stadt” Venlo een begerenswaardig bezit in de late middeleeuwen. Een ringmuur met veertien torens, een diepe gracht en met ijzeren platen en valhekken versterkte poorten maakten Venlo tot een der sterkste vestingen van het Overkwartier. De stad lag aan een kruispunt van vele handelswegen en beschikte bovendien over een beschermde haven, hetgeen Venlo tot hét ontmoetingspunt voor de handel tussen Overland en Nederland maakte.

Sinds de 13de eeuw heeft Venlo zich ontwikkeld als een typische marktstad met een bijzondere functie in de Maashandel. Het aantal beëdigde zoutmeters steeg van zeven (1294/95) van veertien (1343). Het laatmiddeleeuwse marktapparaat was zeer omvangrijk: naast allerlei keurmeesters waren er speciale kolen- en kalkwegers, verbonden aan de kolen- en kalkwaag. Het transport- en havenwezen was streng georganiseerd. De gewoonte van schippers om vanwege het grote verschil in verval van de Maas boven en beneden Venlo er hun vrachten over te laden op een ander scheepstype (het verbodemen) en het in 1343 eveneens officieel verleende stapelrecht ontwikkelden zich tot de vrijwel onaantastbare verbodemingsplicht en stapeldwang die we uit de tweede helft van de vijftiende en de eerste helft van de zestiende eeuw kennen. Bovendien werden de riviertollen vaak niet ten onrechte als de ruggengraat van de landsheerlijke financiën betiteld.

Kolen, kalk en steen werden vanuit het zuiden over de Maas aangevoerd, zout en vis vanuit het noorden. De graanmarkt, die overigens minder van belang was dan die van Roermond, werd grotendeels over land gevoed. Van het zuidoosten uit het Land van Kriekenbeek, Gulik en Berg, en in mindere mate van het westen uit het Land van Kessel. Lokale linnenweverij bestond er naast handel in van elders aangevoerd laken. Was Roermond een typische draperiestad, Venlo was bij uitstek de plaats waar allerlei goederen verhandeld werden. Het zal duidelijk zijn dat door dit alles Venlo een sterk gedifferentieerde sociale structuur vertoonde. Een aanzienlijk deel van de bevolking was dan ook bij handel en transport betrokken als kooplieden, schippers, huurvaarders of oeverlieden.