Scheepstypen

Uit TitVen
Ga naar: navigatie, zoeken
StPieterstraat40.jpg
Een Maasschipper, die lid was van het schippersgilde, was eigenaar van (minimaal) één koppelije, een klein konvooi bestaande uit een Hoogaers of een Hoogmast, daaraan gekoppeld een Vlieger en een of meerdere lichte ponten en/of aken. Voor het manoevreren van de koppelije stroomopwaarts waren minimaal drie man vereist, één met bootshaak op het voorschip om obstakels te vermijden, één aan het roer en één man bij de paarden langs het jaagpad. Afhankelijk van de grootte en de last van de koppelije waren 1 á 4 paarden nodig, deels eigendom en deels ingehuurd bij de lijndrijvers. De schepen maakten stroomafwaarts gebruik van de stroming, bij gunstige wind geholpen door het hijsen van het zeil. Het midscheepse roef diende als stal voor de paarden, die 's avonds over een loopplank aan boord kwamen. Later werd dit het verblijf voor de bemanning. Soms voer een familie met twee schepen en dan woonde men in de ene roef en de paarden in de andere.

Scheepstypen

Het is nog steeds niet gelukt hoe de Maasschepen er fysiek uitzagen, wat hun exacte afmetingen waren! Vandaar dat onderstaande informatie met een behoorlijke "slag-om-de-arm" moet worden bekeken:
AfmetingSchepen.png

NACELLE (ca.10 ton)

Kleine boot, platte bodem, voor en achter spits

BÈTCHÈTE (ca.25 ton)

Bètchète

VLIEGER (ca.30 ton)

Genoemd naar de hoog in de mast hangende vierkanten zeilen. Diende tevens om bij lage waterstand het hoofdschip te lichten. De vlieger is door zijn grote lengte ten opzichte van de breedte vooral op snelstromende rivieren gemakkelijk te varen en was daardoor gewild bij de binnenschippers. Verwant aan het Paetschip (of Patune), was een “Overlandse” schuit, met een sterk gebogen voor- en achtersteven, die 150 á 200 zakken zout plus 1 á 2 last andere goederen kon dragen.

PONT (ca.30 ton)

Had een laadvermogen van ca.35 ton. Werd vaak ook leeg meegevoerd als overlaadmogelijkheid, om de diepgang van de grotere schepen te verminderen.

HOOGAERS (ca.60 ton)

Een Hoogaers (of een Drobert) was een “Overlands” open schuit met hoog op het water liggende boeg en een laadvermogen van ca.600 zakken zout plus 2 á 3 last andere goederen. Men kan 1 last vergelijken met 100 zakken zout, 4000 pond kaas, 4000 pond stokvis, 12 tonnen haring of labberdaan (gezouten kabeljauw). Als hoofdschip was het uitgerust met een roef, als onderkomen voor het schippersgezin.

AAK (ca.82,5 ton)

Verzamelnaam voor oude platbodemd lastschepen, eerst als zeilschip (zwaardaak), met een grote bolling in voor- en achterschip. Deze schepen waren plat van bodem, het vlak is lang en recht, van onder breed uitgezet, hoog opgeboeid en boven smal toelopende zodat relatief veel vracht vervoerd kon worden: voor en achter met een brede steven, in de vorm van een beitel, waarom zij ook beitel-aken werden genoemd. Oudtijds waren het lastschepen, welke met wijnen van Keulen kwamen afdrijven, waarom zij ook wel Keulse aken werden genaamd.

PAETSCHIP (ca.90 ton)

Ook wel Patune genoemd.

HERNA (ca.90 ton)

Herna.gif
De Herna is een lang, laag, aan de Keen verwant rivierschip met platte heves en een soort van klaphekkenroer, dat door sommigen een hernaroer genoemd wordt. Deze schepen werden door sommigen ook wel een Walenpont genoemd.

HOOGMAST (ca.121 ton)

Een Hoogmast of “tougeboud schip” was een “Nederlands” groot Maasschip, van een dek voorzien, zwaar van bouw en een aanmerkelijk groot laadvermogen. Er wordt gesproken van “hoogmasters” met een laadvermogen van 1600 zakken zout plus 3 á 4 last andere goederen. Als hoofdschip was het uitgerust met een roef, als onderkomen voor het schippersgezin.

TREKSCHUIT

Een trekschuit is een historisch schip met een roefje, dat door een paard of door menselijke kracht vanaf de wal wordt voortgetrokken. De trekschuit werd vooral gebruikt voor vervoer van passagiers. De oudste bekend akte voor reizigersvervoer per trekschuit dateert uit 1618 van de route Brussel - Antwerpen. Het trekken wordt jagen genoemd. Het pad waarlangs de jager loopt heet jaagpad. De lijn werd aan scheepszijde veelal op enige hoogte aan een mast vastgemaakt zodat deze over struikgewas en dergelijke heen liep. Op scherpe hoeken en kruisingen van vaarten en dergelijke stonden rolpalen waar buiten langs de lijn werd geleid om te voorkomen dat het schip daar de kant in werd getrokken.Er werden voor de trekvaart speciale scheepstypen gebruikt. Deze moesten vrij licht zijn om zo toch enige snelheid te kunnen maken. Ze werden veelal getrokken door een paard in draf en haalden naar schatting een snelheid van zeven kilometer per uur.

Detail-afbeeldingen

Onderwerp Afbeelding Omschrijving Onderwerp Afbeelding Omschrijving
Beitelaak Beitelaak.jpg 17de eeuws en mogelijk nog ouder vrij primitief scheepstype. Nogal rechthoekige dwarsdoorsnede. Overnaadse, zijdes, achter samenkomend tegen een vertikale steven, voor aansluitend op een brede, zo'n beetje rechthoekige, sterk vooroverhellende, heve. Voerden vaak een emmerzeil en hadden vrij slanke zwaarden, die voor de mast aangehangen waren. Sommige exemplaren hadden twee zwaarden aan elke zijde. Beurtschip Beurtschip.jpg Een beurtscheepje is niet een specifiek type schip, maar kan elke soort binnenvaartschip zijn dat voor de beurtvaart werd gebruikt. In het verleden meestal rond gebouwde, zeer handelbare scheepjes die snel konden zeilen, zoals aakjes, pramen, snikken en tjalkjes. De beurtvaart onderhield tussen bepaalde plaatsen geregelde diensten, oorspronkelijk in vastgestelde volgorde (beurt), met vracht- en personenvervoer. De oudste beurtveren onstonden in het begin van de 16e eeuw, maar daarvoor sprak men al over marktschepen, die het vervoer op marktdagen verzorgden.
Boeg Keenheve.gif De heve (plaats waar de bodem van een binnenvaartuig naar boven afbuigt) en de steven (gedeelte van het schip waar de huid van beide zijden samenkomt in een betrekkelijk scherpe vorm) vormen samen de boeg. Gierbrug Gierbrug.jpg Eene brug, welke uit twee groote, aan elkander vastgemaakte schepen bestaat, en aan ankers in de rivier gehouden, door den stroom, van den eenen oever naar den anderen gedreven wordt, dienende alzoo tot veer of overvaart. (spelling van 1858)
Hoogaers Hoogaers.jpg omschrijving zie boven Houtvlot Houtvlot.jpg Houttransporten op de Maas worden al genoemd in de vroege middeleeuwen en ging met houtvlotten. Vanuit de Ardennen werden grote hoeveelheden hout afgevoerd en de huurvaarders speelden hierbij een cruciale rol. In de late middeleeuwen waren de huurvaarders in Venlo ein besunder gildt wesende und nit under den schieperen gehoerende (1583). Een lijst van 28 mei 1593 noemt alle Roermondse huurvaarders die op dat moment lid waren van het gilde, dat bestond uit 7 rotten van elk 10 personen.
Jaagpad Jaagpad.jpg Een jaagpad of trekpad is een pad langs een kanaal of rivier dat vroeger werd gebruikt om schepen, gewoonlijk vrachtschepen, als de wind niet gunstig was, vooruit te trekken. Dit voorttrekken werd jagen genoemd, vandaar de naam. Gewoonlijk gebeurde dit door de schipper, zijn vrouw of samen met hun kinderen. Trekschuiten werden altijd gejaagd. Als er geld voor was, kon voor het jagen een lijndrijver met paard ingehuurd worden. Keen Keen.gif De keen, ook wel overlander werd genoemd, was een tweemast met boegspriet. Een lang en licht gebouwde aak, de overnaadse huidplanken voor en achter tot een driehoekige heve oplopend. Men denkt dat de naam keen is afgeleid van het Duitse kähn, hetgeen de algemene aanduiding voor een schuit is. De keen kon zwaar (gaffel)getuigd worden om tegenstrooms van elk zuchtje wind te kunnen profiteren. Verder bij de keen als kenmerk het typische grote klaphekken roer.
Klaphek Klaphek.gif Het kenmerkende "klaphekken" roer. Het grote gebogen stuk hout van de helmstok naar de achterzijde van het roer heette de "roeiden" en bestond uit drie dunnere stukken als rijtuigveren op elkaar. Als extra versteviging liepen aan weerszijde van de helmstok nog platte ijzers. Marktschip Beurtschip.jpg Marktschepen waren een soort openbaar middel van vervoer, die in geconcessioneerde vaste diensten varen. Het recht om zo’n dienst te onderhouden, werd door de desbetreffende stad verpacht. Marktschepen waren gebonden aan vaste tijden van vertrek, en beijverden zich ook in de tijden van aankomst de grootste regelmaat te betrachten. Tegen betaling van een jaarlijks bedrag konden ze vrije vaart verkrijgen bij de Maastollen. De marktschepen vervoerden personen en stukgoederen, ongeacht de stad van herkomst.
Rolpalen Rolpalen.jpg om het maasschip door (scherpe) bochten te trekken waren in de binnenbocht ronde palen geplaatst, waar omheen het touw werd geleid. Trekschuit Trekschuit.jpg Uit tekeningen van de van de 17e eeuw blijkt dat trekschuiten vaak rechte vallende stevens hadden.
Walenschip Walenmajol.jpg Het Walenschip (majolle, mijolle, mignolle, marguelle, Walenmajol) was een Maasschip. Een tweemast rivierschip zonder zwaarden met puntige stevens, aan de Keen verwant 16de eeuws scheepstype met erg platte heves. Maquettes Maquettes.jpg Maison du patrimoine médiéval mosan; Place du Bailliage, 16B - 5500 Bouvignes (Dinant)
Vlieger Vlieger.jpg Beschrijving zie boven. open WIU.jpg open