Van Dript

Uit TitVen
Ga naar: navigatie, zoeken
Wapen Dript.jpg

Relatie Grubbenvorst

De familienaam komt voor als van DRIPT, DRUPT, DRYPT en TREYPT. Waarschijnlijk stamt de familie uit Drupt bij Alpen, Kreis Geldern. In de middeleeuwen waren vele generaties de eigenaren van het adellijke huis Milbeck bij Hinsbeck. Het wapen dat zij voeren kan omschreven worden als : in rood een zilveren linkerschuinbalk. Op de helm een ronde gouden spiegel in een groene wrong ingeraamd en met een zwarte "Schilsstaude" (cactus) uit zeven bladeren bestaand, drie naar elke kant en een opstaand. Hoe en wanneer de van DRIPT's in Grubbenvorst terecht kwamen is niet bekend. Zeker is dat zij heren van het adellijke huis "de Steegh" waren in Grubbenvorst tussen de jaren 1445 en 1590. Huize de Steegh was leenplichtig aan de heer van Gribben en gaf als riddermatig goed toegang tot de ridderschapskamer van de Gelderse landstanden. Verder had de familie van Dript de 2 hoven Koningsberg in Horst. Zie Chronologie van Dript.

STAMBOOM

I. JACOB van DRIPT; +22.12....., draagt 09.08.1386 de helft van de CASSELER MüHLE over aan het klooster KAMP. Was getrouwd met AGNES NN Agnetis (+22.12.....), hun kind:

  1. JOHAN zie II


II. JOHAN van DRIPT; * ca.1395 (+26.08.vóór 1468), getrouwd met THEODORA (Derich) van KESSEL (+30.03.....) d.v. SIBERT en BEELA van GRUESBEECK (ook nog twee dochters: Hillegundis en Wilhelma); met twee hoven in Koningsbergen beleend (1417-1424); verkoopt 02.05.1433 de laatste helft van de CASSELER MüHLE (wind- en watermolen) aan het klooster KAMP, ene HUGO van DRIPT wordt hierbij genoemd als schepen van Rheinberg; 1436 verbondbrieven tussen ridderschap en de steden van het land van Gelre (kwartier van Roermond); hun kinderen:

  1. JOHAN zie III
  2. BELA 16de abdis O.L.Vrouw Munsterabdij Roermond van 1490-1521, +12.04.1521 Roermond; zie: Gem.Archief Roermond.
  3. ELISABETH (Lijsbeth Drijpt), geb.ca.1410, +25.04....., getrouwd vóór 1444 met Johan van der Donck (de Jonge-geb.ca.1410 Arcen); getrouwd met NN.van EGEREN
  4. AGNES, +08.05....., getrouwd met (1440 Zwolle) JOHAN van EYLL, ridder; zoon van Bernt van Eyll; hun zoon JOHAN in 1449 beleend met Moerse landgoed GASTENDUNCK bij Hüls. Agnes van Dript en Johan van Eyll zijn vóór 22.11.1486 overleden.


III. JOHAN van DRIPT; +26.12.1513, 2e huwelijk AGNES van SANDWYCK (+09.05.1487); 1ste huwelijk ALEYDIS NN. getr.vóór 1468 (+02.12.....); met 2 hoven Koningsbergen in Horst beleend (1459-1465); 1525 het leengoed Wylre onder Asselt; Schatcedule Venlo 1500/1520 - Schriksel. Agnes was de dochter van Herman van Zandwijck, en had nog een zus Wernera die in 1462 getrouwd was met Johan III van Boedberg. Hun kinderen:

  1. HERMAN zie IVa
  2. DIEDERICK zie IVb


IVa. HERMAN van DRIPT getr. NN.; (+12.08.....); in 1504 legt Herman van Dript ten overstaan van de leenheer Alart III van Goor de eed van hulde van Kaldenbroek en van de Kesselshof af (Maasgouw 1901 (nr. 23), blz. 52). In 1525 met Wylre beleend; 2 hoven Koningsbergen in Horst; Eyckelenbosch in Horst; in 1523 ingeschreven als burger van Venlo (OAV-nr.1448); in 1534 burgemeester van Venlo (stadsrekeningen Venlo nr.168); Schatcedule Venlo 1533-1538 - Schriksel; Hof to Ruweel (Sevenum); Coninxberg en Eyckelenbos (Horst); de Wijer (Venlo). Hun kinderen:

  1. LYSBETH
  2. JACOB waarschijnlijk jong overleden


IVb. DIEDERICK van DRIPT; * ca.1485 ; (+06.08.....) in 1554 begraven op Caldenbroek; getr. ANNA NN.; Ridder, heer in Grubbenvorst, in 1547 leen ontvangen van OTTO van WYLICK, heer van Baersdonck. Hun kinderen:

  1. MARGRIET
  2. DIEDERICK zie V
  3. JOHAN (26.07.1537 als broers genoemd;+06.08.....)
  4. LYSBETH, getr. MARTIN van BROECKHUYSEN van OEYEN, in 1544 met Angerade beleend


V. DIEDERICK van DRIPT; + 1550; heer in de Stege en Grubbenvorst, erfvoogd van Rheinberg, 1525 ridderschap van Gelders Overkwartier; 1539 met Wilre beleend, 1563 - 1577: leenman van het huis Gribbe. Hij was getrouwd met MARGRIET van MEER (+na 1550), d.v. HENRICH en ELISABETH van OPLO. Hun kinderen:

  1. DIEDERICK,zie VI; erfde in 1550 de Steegh (Grubbenvorst)
  2. JOHANNA, in 1550 hof Koningsbergen in Horst; +17.05.1592 in Lobberich bijgezet; getr. met JOHAN II von BOCHOLTZ zum HOVE, drost van Kriekenbeck en Erkelenz, rechter van Arnhem en de Veluwezoom, +1553 in Arnhem (Minoritenkerk) bijgezet; z.v. GODERT VII (+1532) en MARIA von und zu BUSCHFELD (+1530)
  3. AGNES getr. met CASPAR HOUCLERS (Hoeveler, + vóór 1550); in 1550 hoven te Mersloe, Oirloe en Meerloe


VI. DIEDERICK van DRIPT; * ca.1545, getr. 1568, + na 1587; Ridder, heer in Grubbenvorst, woonde in Venlo, 1539-1577 ridderschap van Gelders Overkwartier; in 1550 hof te Velden.

  • 1ste huwelijk CATHARINA van FROENHOVEN
  • 2de huwelijk CORNELIA van ERP gen. Warenberg (Warrenborg, Werreberg); d.v. NN en NN VINCK
  • 3de huwelijk ELISABETH van SUYRMONT (1571-1573 geen kinderen)
dochter uit tweede huwelijk:
  1. AGNES getrouwd met CASPAR van KEVERBERG alias Mewen (de Steegh - Grubbenvorst)

RHCL-Grubbenvorst 3417

Ite in anno 78 de 26 september heb ick Dederick van Druept gesandt Peter Rodde und Johan Rodde mijne halfmannen als laetten bij de heer van Arssen mit golt und silveren hem toe presentere dat hij mij ein hant toe boeck woldt setten om sijn gerechticheit als van alde gewoenlick ys Margriet mijn natuerlicke dochter, soe als ick hem selver persoenlick aen gesonen had toe besoere und en beswere mij niet hoger dan sijn lieffden voeralderen gedaen en hebbe Und wie inge wey cloester oick winnen moete, dat gen ick sijne oick toe bedincken, sij heben hoer boeck und Posses oick II. Ite sijn die partes van den geldt, einen alden golden keysers daler, und 6 brab. stuver, und 18 stuver mytte sernuer und hefft die penninge aen sich gehalden und heystet seer onbillick und is daer in gevallen und hefft dat water bepaet tege mijne willen und danck soe dat die vysserij bedorve is, heb daer niet van dat swaerheit und onwille


RHCL-GRUBBENVORST nr.3417: Diederick van Dript Anno XLVII(1547) Ite heb ick Dederich van Dript dat leen ontfange van den heer van Baersdonck Otto van Wylick van de halve guedt in de Stychgen und dat verhergeweidt uyt drij golt gulden. Ite noch VI morgen lantz IIII inden guedt inger Stiege und twee inden hoeff toe Velden daer ick Dederich van Dript (ind Jan myn dochter) aen behandt sie und Anna myn huysfrouw und is lijffgewin. Hier aff gegeve soe me hebbe wold der winnige van ijner morgen eine daeller, und van ijner hand tho weten X daeler gegeve und twe aff gedeinct. Ite toe gedencke hefft myn swaeger Johan van Boeckholt heft ein hant tegen mijn moeder gewonne van den lyeffgewin in die broeckweid aen de heer van Gribben, hier van gegeve tot der winnege II daeler. Ite anno LIIII den derden dach Junij bin ich Dederich van Dript behandt van de heer thoe Gribben myt derden halve ongeverlich die hoegd in die broeckweid und is lijffgewin hier van gegeve tot der winnege III daeler. Ite noch bin ich Dederich van Dript den derden dach Junij aen den voerss heer van ein lijfgewins water genoempt Soest water tegen mijn moder hier van gegeve tot der winnege einer ridd gul. Ite anno LV op Sint Nicolaus dach bin ich Dederich van Dript toe Venlo by de pater ingen Wey geweist unde heb gesonnen und begeert toe winne I hant tegen mijner moeder van Soest water genant toe Gribbeforst und daer bevorens heb ick hem mit myne ionghe gesant XII st.brab. dwelcke hij behalden hefft und daer myt heb ick gewonnen. Ite heb ick Dederick van Dript ontfange hett leen van der Stege van den alde heer van Afferden und Blijenbeck oic mit den hoff tho Velden. Ite VI daler daer op gelacht XV st. macken ses golt gulden. Ite noch II halff ducaten dat stuck XLII st.noch twe snaphaene I gelresse I luicker anno LXI gesant. Die leenrichter Frans van Wijk had mij beleendt alsuien dat leenrecht tot Grubben hiell die ander manen van leen en wolden anders niet sitten ick most by hoen sitten Rekenschap Dederich van Dript tegen die gemeinte van Grubbevorst. Inden eersten den 13 octobris an 73 sient alhier tho Grubbevorst ongeverlich 26 perdt komen van Schinckenvaen und der scholtest Deyick van Oeyen Jan hesen hebben begert Drypt woldt doch twe perdt by sich halden nahden er plaetz hedt me soldt alsulliche betale. Daerop Dryptdie selve behalden XXII daech mit den knechte und naedem alle naebere klein und groet dier tijt geschat sient soldt Drypt tot syne aenpart gelyck to rekene over ein half perdt mit den man niet kome te halde. Ite reken eener dach und nacht gelyck op andere dorpers geschiet, voor ider man undperst eine daler, facit XXII daler ider perdt. Ite also anderhalff perdt und man meer gehalde, also Dripte geboirt, facit to same XXXIII. Ite noch eine Italianischer graeff by Dripte gelegen mit XXII perdt vier dach,daraff gein hulp gehadt te halden, dan van Peter inden Bongart und int Hambroick, und aengen Eindt solden geholpen hebben, doch en ist niet daervan komen. Ite noch toe etlige vil maele, mit lansknechte overlacht worden, einmal XXV andermael min und meer. Ite op dy XXXIII daler van Schincken ruter heb ick ontfange. Ite drij daler aen haver twe gulden. Ite Jaeckxcken in dy Molen und Lenertien aen gene van weren aen gelt und haver betale vyff gulden 9 st. facit dit vorss. onfanck XII gulden min eine st. Suma Sumaru blive die gemeinte rest. Van dat onderhalt van anderhalft perdt XXXVII gulden VIIII st. Wesmit billicheit meer op de goede inder Stege als van den rutere ein halff perdt und man mit billicheit gerekent maech off kan werden nae inhalt der Schattingh erlen, sal der gemeinten aff cortingen sijn, ich hed gern gesien datmen die ruter verlacht hed und heb doch daerom aengehalde und hefft mich niet willen geboere. Ite van den andere thueghe und schade der ist soe groet gewest, und sijn so vil hoger besweert als myn anpart geboere sold dat mich niet wael mogelick en ist te rekene ich heb oeck by den scholtest offtmael anhalte und hy mich beantwort in presentie van Jacob van Oeyen und Jan Timmermans Peter inge Bongart und Tisken ingen Oestrick alle schepen men soldt gemeinte utgene und also versien dat Drypt sich bedancke sold. Ite die van der Horst hebbe drymael myne rogge genomen den lesten wagen geloest voer XIIII gulden. Ite tho gedincke heb ick Dederich van Drypt bij myne tijde acht hundert gulden schaden gehadt allen van wege dat ich de heere und die ghoninge so hou contribution niet en betaelden, tot myne deil voer hoen und andere mosten betalen und draghen, daerbove in gheine dingen vryheit gehatt als andere Riddermatige van adel sonder alle diensten ghedaen, houwe und stroe moete doen gelyck den huysluyden. Ite die schattinge die en seit niet opgeteikent in alle dese perselen. Ite alle die Italianse, Welse, Hoegduetse ruter und knechten syn tusschen beyden ouck noch gewest. Ite heb ich in VIII iaere tijts over dy VII of VIII hondert gulden meer betaelt dan ich schuldig was voer die selvige dy daer niet van gegeven en hebbe und oic niet en wille geve, der ein is doot der ander niet dy somige liggen ledig. Ite daernae die knecht wt Ruremondt hier kome synt hebbe groote schaden gedaen, und die op andere orden, mit name op die Calwey (NB:-) 3 knecht op die volmoelen 2, und aen falderen 2 knecht gelacht sient hier ingevalle also tot 25 knechte gehadt des avets, und twe perd mich ouch twe nieuwe hemde und anders mit genome. Hie op ontfangen van Goert inghe (NB-) volmoele, und van Lienartien aen Valdero I pont bottere eine st.witbroet und van mynen halffman Jan ein lamp und II pont bottere und haver voer dy perd, ich reken voer ider einen gulden des ist der wijn ingerekent. Ite dy letzste walen sonder ire rechte hop lude sient hier kome groete schade gedaen woel wijns gedroncken und sunderlick overlast gedaen. Jan tryn mormanss hier tuy gedaen. Anno 69 den 29 Junij der capitein Joanes Duway hyspanische ruter my logirt inder nacht overwel¬dicht geturbuliert getormetiert geslage en gewondt onschuldich der saeken gescholden voer einen Lutriaen, daernae noch drymael van de Graeff van Hollack geplondert worden, und dy van Venloe dat huysz ouck so 6 weken ingehadt, und daernae die male Contente

Suma sa.. hefft my over vier dusent daler gekost alle iaer II hondert behalve dat my huys IIII mael geplon¬dert is worden. Aengaende den schade und terongh der ruter. 1573 den 13 8bris


der alde ioncker Johan van Druept staerff in anno dni M CCCCC und XIII (1513)


Anno LXXIIII den 11 Julij (11.07.1574) heb ick Dederich van Drijpt verkofft op ein wederloess ick selver offte mijn dochter oder ire erven In der Stegen, Rutten van der Alderbercken und Grietgen siner huisfrouwen ses morgen lans und ein wei....... opten roevelt genompt berger landt, darvan is jarlich geven sullen van moment.... derkerken zu Gribbenforst ein malder rogge und die halff tigellwei und wat meer inne hirvan salme, geven II rins gulden off rinsen brab. gelrissen rijder daervor tho tins In der Stiegh, und mein sall gein kole stocken in der weiden dan snoijen, darmen die hegge mit .....mach. Hirvor sall Rut van der Berckt negstkommende Andrissmis vorg. Drypten ....... sigell und brieve negstkommende Andrissmis II hondert rijders ad XXIIII st. off die rechte werde davor erlegge und so mey noch vijfftigs rijder g. Des sall ick Rutten ein krutz rijder korste vor min arbeit und all ...... die Tigelwei den halven meij annfang annos LXXIIII und lant darnar opten stoppelen anfang in dei somer, und off het .......... datfor langs het roevelt einich ...... erft angegraeffen ...... und off dat ........ offt morge geloesst wurde salmen foor vijf gelachte penningh als bei.......... ............ geven.


Ite diesen Thyns hefft thoe gehoerdt den Edelen heeren van Wyckraedt unde van Broickhuysen Erffkemerling des lands van Gelder .. ijs die helft daer nae gekoemen aen die Edel Eerwerdige abbadys des gaetshuys toe Nuys Sinte Queryn und nu daer nae aen den Edelen Erenfesten Christoffel van Wijlick heer tot Grunstein und Gribbenforst und Lothem .. Ite dyt voerschreven lijffgewyn unde Erffthyns guedt salme halden nae Erffthyns rechten des landts van Kessel. Ite van dese thyns syn noch meer alde boecken, ein ysser binnen Goch int landt van Cleeff, van den heere van Wyckraedt wil ick voerbehalden hebben, und II over Rhyn int landt van den Berg thoe keyssers werdt, herkoemende van den Erenfeste Vyncken van Raeffenberch unde daer nae den Erenfesten Gaert Vyncken van Raeffensberch boecken, kan ick diesser tyt niet bekoemen durch desen bedroeffden tijt. Ite daer nae aen den Erenfesten Goessen van Eerp genaemdt Werreborch toe Langevelt, unde daer nae den Erenfesten Dederich van Dryept van der Steghen dy helfft thoe.

Dese Naebescrieve Thijnse und lijfgewyns guedere synt gelege bynne Blerick unde gehoere der werdiger vrouwe van Nuyss und den Erenfesten Dederick van Drypt halff und halff thoe dat daer van koempt, und verschiene altoest op Sint Andriess dach des heilige apostels.

Dese naebeschreven erffthyns unde lijffgewyns guederen hoeren alleyn thoe den Erenfesten Dederick van Drypt. Anno LXXXII op Andree apli.

RHCL-BLERICK nr.3264 Diederick van Dript

Anno LXIII (1563) in Henrick Koelen zeliger gestorven was heft hij sijn huisken met opsat sinen gerechten lanther oplaten versterven. Ja ock gegeven uten gront gegeven des heb ick Truitten sin huisvrou erlevenlanc daer in laten wonen als mij Henrick tu betroet heft unde her beschut soot mij mogelick was. Ja ghen huer of tijns haer afgenomen ten leste als Trutten van den leven ter doet komen is dat goet enmal oft tne verkocht worden is, was ersten ende hoghe santberch stonden 3 eiken bom op. Had Jacob op ghen Ort ut gevorpen unde den berch geslicht, der was hij bevoren en summeren rogge ingelacht so hadden mij beloft daer voer des iare en summeren rogge te geve. daer voer had iclet verlaten nu blivet voer den pacht liggen als des men is god. betert dat huisken is af gebrant den gront is sant unde blift sant, Truitten Koelen had en poetten met gelt vonden unde berch als den man dot was het mesten del was golt heb ick haer ock gelaten ...... mal datten ............ onderpant was

Bekinne wyr scholtus und schepenen des gerichts tott Gribbenforst dat voer ons gerichtelick hebben gerekent der Edler Erentfester Dederich van Drypt und Hans van Lovedael van verschiene erffpacht van ein stuck lands in het lovendaell gelegen, hett welicke Joncker Drypte Erffpacht ys, woerdt befonde dat Hans voerss Joncker Drypte van verloepen paecht bei op Sinte Andries anno 88 schuldich ys bleven, doott gereken alles wat Hans daer op betaelt hefft 7.malder rogge einen haister, sal Hans Joncker Drypten noch einen dobbelen paeicht daer by lievere daer mijtt einen paeicht betaelt und Hans noch ein handt wint, un sall noch ein malder rogge lievere daer myt er die andere handt wint alsoe dat nu Hans vurss Joncker van Drypte lieveren sall 10.malder roggen 2.faett, des sall Joncker Drypt vurss Hans van Lovendaell myt synen adherenten toe boeick stellen und Hans sall den paeicht betaelt hebben tot anno 89 Sinte Andries daich den lesten taeldach daer van, verpenct sich Hans vurss hijr myt Oerkundt Scholtus und Schepenen die selbige 10 malder rogge 2.faet toe betaelen intwendich 14 daech, soe niet sall Joncker Drypt sonder enich tegen seggen sich in moegen laeten richten und hett selbige stuck lands wederom aen sich nemen, und erfflick verfallen syn. Oirkundt der waerheit hebben wijr Scholtus und Schepen dit selbige doerch bede beyder partijen onderteickent anno 1589 den 25 Julij Dederich van Drijpt Merten Schinck Scholtus Jan van Loendall